IN PARADISUM 24 MAART

IN PARADISUM 24 MAART

‘Het Requiem heeft, net als ikzelf, een zachtmoedig karakter. Al wat ik heb aan religieuze gevoelens zit in mijn Requiem; hoop op eeuwige rust.’ Zo omschreef Gabriel Fauré zijn mis voor de doden die tot op de dag van vandaag bekend staat als een van de mooiste stukken die ooit gecomponeerd zijn. Over de hele muziekgeschiedenis onderscheidt het Franse Requiem zich van de dramatische en beangstigende klanken van de dag des oordeel. In tegenstelling tot Mozart en Verdi kiest Fauré voor een troostrijke benadering met warme klanken in het orkest en een rustige romantische sfeer in het koor.

Capella Amersfoort voert de oorspronkelijke versie van 1892 uit, in de geest van Fauré en zijn uitvoeringspraktijk. Tijdens dit concert zullen, naast het opulente Requiem van Fauré, een aantal dramatische delen uit het Requiem van Herbert Howells en de iconische Funeral music of Queen Mary van Henry Purcell klinken, verschillende stukken die te maken hebben met dood, afscheid, hoop en vertrouwen. Toch gaat het concert niet alleen maar over de dood, maar ook over het leven. Hoe reflecteert men op het leven en hoe viert men het leven van een dierbare die ons voorgaat naar de eeuwige rust.

Levensloop van Fauré

Vlak nadat hij zijn studies aan de École Niedermeyer in Parijs had afgerond begon de 20-jarige Gabriël Fauré met zijn eerste baantje als organist in verschillende kerken in de omgeving van Parijs. De École Niedermeyer stond bekend om het afleveren van uitstekende kerkmusici en het trainen van componisten in de typische Frans-romantische stijl die opbloeide aan het eind van de 19de eeuw. Het was dus ook geen verrassing dat de eerste composities van Fauré (denk aan de Cantique de Jean Racine) succesvol ontvangen werden door de Parijzenaren. In de jaren die daarop volgden nam hij Saint-Saëns post over als titulair organist in de beroemde Église de la Madeleine en in korte tijd werd Fauré benoemd tot maître de chapelle van de Madeleine op aanbeveling van Saint-Saëns en Charles Gounod.

Aangezien Fauré veertig jaar in dienst van de kerk was, is het vreemd dat hij weinig liturgische muziek geschreven heeft, vooral met zijn reputatie als succesvol componist. Naast het Requiem zijn er enkel de Messe basse en een dozijn motetten van zijn hand. Het Requiem heeft een lastige oorsprong. Velen waren ervan overtuigd dat zijn drijfveer het overlijden van zijn vader was, anderen verwijzen naar zijn depressie die hij overhield van de Frans-Duitse oorlog in 1870. Toen musicoloog Maurice Emmanuel in 1910 Fauré zelf daarnaar vroeg, antwoordde hij: ‘Cher Monsieur, mijn Requiem is voor niemand gecomponeerd, het is ontstaan uit plezier, als ik het zo mag zeggen.’

In 1888 ging het Requiem in première bij een herdenkingsdienst voor de architect Joseph Michel Le Soufaché, bestaande uit het Introït, Sanctus, Pie Jesu, Agnus Dei en het In Paradisum voor enkel lage strijkers, harp, orgel en koor. Fauré werd meteen teruggefloten: de Madeleine had een rijk erfgoed en had geen behoefte aan nieuwe trucjes. Dit weerhield Fauré er niet van om te blijven schrijven aan zijn stuk, hij was het oude repertoire immers meer dan zat. Financiële steun van zijn geldschieter Comtesse Élisabeth Greffulhe zorgde ervoor dat het stuk een halfjaar later nogmaals uitgevoerd werd, dit keer met toevoeging van hoorns, trompetten en pauken. In 1889 voegt Fauré het Offertoire toe en in 1890 herschrijft hij het eerder gecomponeerde Libera Me. In 1892 is hij tevreden en laat hij het Requiem publiceren. Zijn uitgever klaagt echter over de vreemde orkestratie en betreurt Faurés wens om een nieuw, donker en hoopvol Requiem, en vraagt hem een symfonische bewerking te maken.